De Qing-dynasty de laatste keizers en de strijd om de ziel van de TCM
De Qing-dynasty: de laatste keizers en de strijd om de ziel van de TCM
De Qing-dynasty (1644-1912) was de laatste keizerlijke dynasty van China — en een van de meest dramatische. Gesticht door de Mantsjoe, een volk uit het noordoosten dat de verdeelde Ming-dynasty ten val bracht, regeerde de Qing bijna drie eeuwen over het grootste Chinese keizerrijk ooit. Maar de negentiende eeuw bracht een reeks crises die het Qing-regime geleidelijk ondermijnden: buitenlandse invasies, vernederende verdragen, binnenlandse opstanden en de confrontatie met de Europese moderniteit. Voor de Traditionele Chinese Geneeskunde was de Qing-periode een tijd van zowel verfijning als existentiële bedreiging.
Mantsjoe-heerschappij over een Chinees keizerrijk
De vroege Qing-keizers — Shunzhi, Kangxi, Yongzheng en Qianlong — waren opmerkelijk bekwame bestuurders die de Chinese cultuur en traditie in hoge mate respecteerden en overneemen. Het Qing-keizerrijk bereikte onder Qianlong zijn grootste territoriale omvang, met inbegrip van Tibet, Xinjiang en Mongolië. De Chinese bevolking groeide explosief, van ongeveer 150 miljoen aan het begin van de Qing naar meer dan 400 miljoen aan het einde van de achttiende eeuw.
Voor de TCM was de vroege Qing een periode van consolidatie en codificering. Grote medische encyclopedieën werden samengesteld in opdracht van de keizerlijke hoven. De Yizong Jinjian (Gouden Spiegel van de Medische Traditie), samengesteld in 1742 in opdracht van keizer Qianlong, is een monumentale compilatie van de gehele TCM-kennis tot dat moment — een werk van tachtig delen dat generaties van artsen als standaardhandboek zou dienen.
De negentiende eeuw: crisis en confrontatie
De negentiende eeuw was desastreus voor de Qing-dynasty. De Opiumoorlogen (1839-1842 en 1856-1860), geïnitieerd door de Britten om de lucratieve opiumhandel met China af te dwingen, resulteerden in vernederende verdragen en de afstand van Hongkong. De Taiping-opstand (1850-1871) — een van de bloedigste burgeroorlogen in de wereldgeschiedenis, met tientallen miljoenen doden — verwoestte grote delen van zuidelijk China. De Bokseropstand (1899-1901), een anti-westerse volksbeweging die steun kreeg van de Qing-keizerin-weduwe Cixi, eindigde in een militaire interventie door een alliantie van acht westerse mogendheden en de bezetting van Beijing.
In dit klimaat van nationale vernedering en moderniseringsdrang werd de TCM voor het eerst serieus ter discussie gesteld. Westerse geneeskunde — met haar anatomie, microbiologie en chirurgie — drong China binnen via missieziekenhuizen en buitenlandse artsen. Chinese hervormers, op zoek naar de oorzaken van China's zwakte, wezen ook de traditionele geneeskunde aan als achterhaald en onwetenschappelijk. De eerste pogingen om de TCM te verbieden dateren al uit de late Qing-periode.
Het einde van het keizerrijk
In 1911 brak de Xinhai-revolutie uit onder leiding van Sun Yat-Sen. In 1912 deed de laatste Qing-keizer, de jonge Puyi, afstand van de troon. Tweeduizend jaar keizerlijk China was voorbij — en met het keizerrijk verdween ook de institutionele structuur die de TCM had beschermd en gefinancierd. De Republiek China die volgde, zou de TCM voor een van haar zwaarste beproevingen plaatsen.